Eenzaamheid is één van de meest overweldigende gevoelens
die een mens kan ervaren. En toch, om volledig mens te worden, is eenzaamheid
een noodzakelijk goed. Wie geen eenzaamheid kent, weet niet wie hij zelf
is. Hij is zichzelf nog nooit tegengekomen en heeft ook de ander nog nooit
ontmoet. Dit is de kernboodschap van mijn artikel.
Ieder mens heeft zijn eigen ervaringen aan het begrip eenzaamheid gekoppeld.
We lijken hierdoor nog al eens langs elkaar heen te praten. Het belang
van onderlinge communicatie wil ik daarom onderbouwen in het eerste hoofdstuk.
Het tweede hoofdstuk is een meer inhoudelijke verkenning. Wat is eenzaamheid
en hoe wordt deze door verschillende mensen ervaren.
In hoofdstuk drie leg ik de nadruk op het belang van de gemeenschap voor
het individu. Collectieve draagkracht is voor de mens van levensbelang.
In hoofdstuk vier behandel ik het meest essentiële deel van eenzaamheidsgevoelens,
namelijk de existentiële eenzaamheid. De mens leeft zijn eigen lot
met daarin zijn eigen eenzaamheidsgevoelens verweven.
Hoofdstuk vijf bestaat uit een verhaal over ontmoeten. Een ontmoeting
die je niet organiseren kunt, maar die er soms ineens is.
1.1. Jouw eenzaamheid is de mijne niet.
Je kunt gerust bij iemand binnenvallen als je daar zin in hebt.
Als ze 'Jakkes' zeggen kun je altijd weer naar buiten vallen.
(Winnie de Poeh)
Voordat ik ook maar iets opschrijf zullen we af moeten spreken wat ik
met eenzaamheid bedoel. In mijn voorbereidingen rondom dit thema heb ik
me namelijk al erg eenzaam gevoeld. Toen ik het woord eenzaamheid in de
mond nam, bleek dat ik er bijvoorbeeld iets anders mee bedoel dan menig
ander. Eenzaamheid is een relationeel begrip. Ik voel me anders eenzaam
dan ieder ander. Mijn eenzaamheid is verbonden aan mijn context. Ik heb
een druk gezin, genoeg vrienden en collega's. En toch voel ik me regelmatig
eenzaam. De eenzaamheid van één van mijn cliënten daarentegen
is van een heel andere orde. Die bestaat eruit dat hij kind noch kraai
op deze wereld lijkt te hebben. Alles heeft hij verspeeld, zo zegt hij.
Zijn vrouw, zijn werk, zijn familie, zijn vrienden, zijn huis.
Mijn cliënt voelt zich eenzaam en ik voel mij eenzaam. Toch bedoelen
we wat anders. Wij spreken immers vanuit verschillende achtergronden en
kennen daardoor verschillende betekenissen aan eenzaamheid toe. In het
dagelijks leven gaan we er als vanzelfsprekend van uit dat we beiden weten
wat eenzaamheid is. En toch: 'De meeste boodschappen die mensen elkaar
sturen komen niet of verminkt over' (Oomkes, 1986). Want hoe willen wij
met elkaar gaan communiceren over iets waaraan we allemaal onze eigen
betekenis toekennen? Over eenzaamheid gesproken!
1.2. Wat spreken we af?
Voor we naar binnen gaan en eens wat rondkijken,
is het misschien verstandig
een paar Verhelderende Opmerkingen te maken.
(Winnie de Poeh)
Om te communiceren moeten we dus afspraken maken. Mijn werkelijkheid
is niet die van jou. Ik zal er alles aan doen om mijn beeld van de werkelijkheid
aan te laten sluiten bij wat er al aan afspraken over ligt. Vanaf mijn
vroegste jeugd ben ik hierin getraind. Ik wil me namelijk niet nog eenzamer
voelen dan al het geval is. Ik zal mijn betekenis daarom aanpassen aan
de betekenis van anderen. Dat is de reden waarom ik veel heb gelezen en
een aantal mensen heb gevraagd wat zij zoal onder eenzaamheid verstaan.
De kans is groot dat ik dan de meeste aansluiting tref, want ik heb grote
behoefte aan gemeenschappelijkheid. Maar wat gebeurt er nou als mijn waarneming
volledig afwijkt van die van de algemeen afgesproken betekenis? Dan zit
ik toch met een enorm dilemma. Namelijk tussen datgene wat ik zelf denk
en wat ik zou moeten denken. Tussen acceptatie en voor gek verklaard worden.
Wat doe ik? Kies ik voor de eenzaamheid van mijn eigen betekenis of doe
ik water in de wijn om samen te zijn? Soms zijn mensen zo dapper of ze
kunnen echt niet anders en betalen de allerhoogste prijs van de eenzaamheid.
'Een eenzaam mens moet noodzakelijkerwijs al die afschuwelijke twijfel,
wanhoop en duistere verwarring kennen, want hij is aan geen enkel beeld
gebonden dan het beeld dat hij zichzelf schept, en hij wordt door geen
andere kennis gesteund dan de kennis die hij zelf met de visie van zijn
eigen ogen en hersenen kan vergaren' (Thomas Wolfe, in Moustakas, 1961).
De dissident bijvoorbeeld, de andersdenkende. In onze samenleving getolereerd,
in menige maatschappij veroordeeld en opgeruimd. De voornaamste strijd
in ons leven beweegt zich tussen deze polaire angsten van differentiëren
en conformeren. Differentiëren brengt het gevaar van eenzaamheid
met zich mee, terwijl men met conformeren het verlies van identiteit riskeert,
aldus Rank (Polster; Polster, 1973).
Van Dale is de man die veel woordbetekenissen heeft verzameld. Zijn boek
staat in veel Nederlandse huizen in de boekenkast. Als de mensen ruzie
maken over wat ze met een begrip bedoelen, pakken ze het boek en kijken
wat Van Dale ervan vindt. Hij krijgt dan gelijk en biedt ons daarmee houvast,
een overeenstemming van gevoelens, een algemene gelijkheid van opvatting,
een zogenaamde consensus.
Het toewerken naar een consensus, naar een overeenstemming van gevoelens,
is naar mijn mening een belangrijk doel in (therapeutische) relaties.
Niet om het met elkaar eens te worden, maar wel om op elkaar af te stemmen,
zonder al te veel ruis. Wat bedoel je daarmee? Hoe voel je dat dan? Vertel
er eens wat meer over? Maar ik merk dat ik..... Als ik het goed begrijp,
zeg je..... Dus jij bedoelt met eenzaamheid dat.... En ik bedoel met eenzaamheid
dit..... Het scheppen van voorwaarden tot communicatie vraagt investering
van mij in de ander en vice versa. Een verlangen om te weten hoe de woorden
bij jou betekenis krijgen en te delen hoe ik mijn gevoelens leer (her)kennen
en verwoorden. Nieuwsgierigheid en verwondering over wat er met jou en
mij gebeurt als wij communiceren. Naar mijn mening bespaart het scheppen
van dergelijke voorwaarden tot communicatie ons veel onnodige eenzaamheid.
Samenvatting:
Het zoeken naar een consensus is gehoor geven aan mijn verlangen naar
gemeenschappelijkheid. De kracht van conformiteit is enorm. Het ligt in
des mensen aard om met de meerderheid mee te gaan, om mij te conformeren
aan de massa (Cummins, 1995). Middels communiceren word ik mij echter
ook bewust van mijn individuele behoeften. Mijn eigenheid kan zich ontwikkelen:
ik ga me differentiëren. Ik ben de andersdenkende, de dissident.
Het bewegen tussen de behoefte aan gemeenschappelijkheid en de behoefte
aan uniciteit, brengen mij bij mijn zelfbewustzijn. Wie ben ik? Ik ben
uniek èn mens als alle anderen.
1.3. De medaille.
Iemand kan niet blijven treuren als hij een ballon krijgt.
(Winnie de Poeh)
Van Dale zegt over eenzaamheid: 'ver van anderen verwijderd zijn, zich verlaten voelen'. Eenzaamheid wordt gekenmerkt doordat anderen ver van ons af zijn, of dat wij ons door anderen of iets anders verlaten voelen. Als ik doordenk betekent het dat ik een ander of een beeld van een ander nodig heb om mij eenzaam te voelen. Die ander is er kennelijk wel, maar ver van mij verwijderd, of ik voel mij door hem of haar verlaten. Die ander of dat andere wordt gemist. Als ik eenzaam ben, weet ik dus (vaak onbewust) wat het is om niet-eenzaam te zijn. Ik ken de andere kant, de andere pool. Wanneer ik een aspect van mezelf herken, is de polaire kwaliteit tegelijkertijd impliciet aanwezig. Zwart kan niet zonder wit. Immers, een besef van eenzaamheid hangt onvermijdelijk samen met een impliciet besef van niet-eenzaamheid (Polster; Polster, 1973).
Mijn 50-jarige cliënt bijvoorbeeld verspeelde veel toen hij de vrouw
van zijn leven tegenkwam. Wat zij in hem wakker maakte was niet in woorden
uit te drukken, zo zei hij. Ze maakte de poorten van zijn passie open
en binnen zeer korte tijd had hij al zijn zekerheden ten behoeve van de
relatie met zijn geliefde aan de kant gezet. Zijn huwelijk voldeed niet
meer, 't was eigenlijk allang niet meer je-van-het. Hij zette een scheiding
in en liet zich uitkopen door zijn ex-vrouw, waarna hij zolang een bovenwoning
huurde in de stad. Ook zijn werk was moeilijk uit te voeren omdat hij
dan te ver van zijn lief verwijderd was, dus zegde hij zijn baan op en
liet een prachtige nieuwe aanbieding om dezelfde reden schieten. Zijn
familie, die hem aansprak op zijn resoluut genomen besluiten, zette hij
tijdelijk buiten spel. Vervolgens wachtte hij liefdevol en geduldig af
totdat zijn geliefde zover was dat zij haar gezin zou verlaten waarna
zij samen een nieuw nestje zouden kunnen gaan bouwen. Drie maanden lang
leefde hij van de ene stiekeme ontmoeting naar de andere toe. Maar toen
kwam er een kink in de kabel die het leven van mijn cliënt nog meer
op zijn grondvesten deed schudden: de vrouw verbrak de relatie. Kort hierna
zag ik hem in een volledig ontredderde toestand voor de eerste keer. Met
horten en stoten deed hij zijn verhaal en vertelde mij over zijn grenzeloze
eenzaamheid. Trouwens, ook zonder woorden had ik het begrepen: zijn rauwe
stem, zijn grauwe gelaatsuitdrukking en zijn gebroken lichaamshouding
spraken boekdelen. Ik was onthutst en stelde hem slechts één
vraag: 'Had je dit willen missen?' Volmondig antwoordde hij: 'Nee, nooit
van mijn leven. Ik wil deze prijs betalen, als het moet tot de dood erop
volgt. Maar dit willen missen. Nee, onvoorstelbaar!'
Deze man had zoveel rijkdom leren kennen, dat hij de ook de wanhoop en
vreselijke verlatenheid tot op zijn botten kon voelen. Toen hij zich dit
bewust werd, bleek zijn eenzaamheid iets makkelijker te aanvaarden. De
tegengestelde polen leken mijlenver uit elkaar te liggen, maar het bewust
krijgen van die twee deed hem uiteindelijk overleven. En zelfs meer dan
dat.
'Wanneer je verdrietig bent, blik dan in je hart en je zult zien dat je
weent om wat je vreugde schonk' (Gibran, 1991).
2.1. Kiezen of delen.
Als je staart verdwenen is
heb je alle reden om te Kniezen.
(Iejoor)
Al bij zijn geboorte staat de mens voor de taak zich los te maken uit
de paradijselijke toestand van de baarmoeder. De zaligheid van versmelting
en verbondenheid met de moeder wordt bij het aanschouwen van het levenslicht
abrupt doorbroken. Als het proces goed verloopt zal de band van de moeder
met haar kind voorlopig symbiotisch blijven. Maar tijdens zijn groei naar
volwassenheid zal het kind zichzelf steeds verder losmaken uit de oorspronkelijke
eenheid met zijn moeder Dit is een noodzakelijk en pijnlijk proces. Een
apart individu worden betekent immers zich onderscheiden, zichzelf afscheiden.
Dit roept gevoelens van trots op vanwege de groeiende zelfstandigheid,
maar ook gevoelens van angst voor de eenzaamheid. Immers, als ik me losmaak
uit mijn veilige geborgenheid kan ik uitgroeien naar een op mezelf staand
individu. Deze scheiding, noodzakelijk om mij te ontwikkelen tot een autonoom
wezen heeft echter zijn prijs: ik isoleer mezelf. Steeds zal er echter
dat ondefinieerbare en onvervulbare verlangen in mij aanwezig zijn naar
die gelukzalige toestand van versmelting van voor mijn geboorte. Als een
gevoel van heimwee. Heimwee betekent 'het terugverlangen naar mijn heim,
naar mijn thuis, naar mijn geboortegrond'. Ik mis mijn thuis. Soms doe
ik een poging deze existentiële isolatie op te heffen door verliefd
te worden. Mijn grenzen vervagen. Ik versmelt met een ander en jij en
ik worden 'wij'. Deze versmelting doet mij herinneren aan die gelukzalige
toestand van voor mijn geboorte. Het is echter van korte duur. Verliefdheid
duurt hooguit een paar maanden, waarna ik met huivering tot de ontdekking
kom dat ik net zo eenzaam ben, zo niet eenzamer dan tevoren. Nu ben ik
op een cruciaal punt aangekomen. Ik kan namelijk kiezen tussen verantwoordelijkheid
nemen of mij laten beheersen door mijn nooit inlosbare behoefte tot versmelting.
In het laatste geval zal ik mijn behoefte tot versmelting vervuld willen
hebben en zal ik steeds van een ander verwachten dat hij mijn gevoelens
van leegte en gemis bevredigt. Zoals een moeder dat voor haar jonge kind
doet, zo verwacht ik dat de ander er is voor de bevrediging van mijn primaire
nood tot versmelting. Mijn relaties staan in het teken van 'wij' en niet
van jij en ik als aparte autonome persoonlijkheden. Ik val ten prooi aan
mijn onvervulbare gevoelens van leegte en wel op een kinderlijke manier.
Ik verwacht namelijk nog steeds van mijn mama dat zij mijn gevoelens van
eenzaamheid zal opvullen. Het niet helder hebben van deze behoeften, maakt
dat ik me erdoor laat leiden en beheersen. Dit wordt ook wel het armoedebewustzijn
genoemd (Knibbe, 1996). Ik heb een ander nodig om mijn eenzaamheidsgevoelens
op te lossen en ga er hierbij vanuit dat ik iets van de ander moet krijgen.
Mijn houding ten aanzien van de ander krijgt hierdoor een dwingend en
claimend karakter. Bijvoorbeeld op het moment dat ik mijn partner verwijt
dat ik me eenzaam voel, stel ik hem verantwoordelijk voor mijn eenzaamheid.
'Ik wacht nog steeds op de prins op het witte paard', zei één
van mijn cliënten. 'Pas dan zal ik echt gelukkig zijn.'
Mijn tweede keuze is van een heel andere aard. Ik kan namelijk ook kiezen
om mijn eenzaamheidsgevoelens toe te laten. Dit doe ik door te beseffen
dat mijn gevoelens van leegte niet door een ander opgevuld kunnen worden,
maar dat ik er zelf verantwoordelijkheid voor draag. Dat betekent dat
ik zelf in staat ben een adequaat antwoord op mijn realiteit te geven.
Me in de steek gelaten voelen, me verloren voelen, iets missen, gepest
worden, in rouw zijn, me afgewezen voelen, enzovoorts. Het heeft te maken
met het feit dat ik heb te accepteren dat ik fundamenteel eenzaam ben.
Dan kom ik uit bij het besef dat ik een heel wezenlijk verlangen bij me
draag. Een verlangen naar verbinding met de ander, naar verbondenheid
met de gemeenschap. Als ik me dit verlangen kan toeëigenen en ervoor
kan gaan staan, word ik mij bewust van mijn impliciete rijkdom (Knibbe,
1996). Dat deel in mij dat pijn doet, vraagt om aandacht. Mijn eenzaamheidsgevoelens
zijn een signaal. Ben ik in het vermogen om dat deel de aandacht te geven
die het verdient. Mijn pijn aan den lijve te voelen en mijn gemis onder
ogen te zien?
2.2. Eenzaam, maar niet alleen.
Ik mag niet klagen.
Ik heb vrienden.
Gisteren nog praatte er iemand tegen me.
(Iejoor)
Alleen zijn betekent 'zonder gezelschap zijn' (Van Dale, 1997) wat het
tegenovergestelde is van 'samen zijn'. Het feit dat ieder mens zich altijd
weer in allerlei groepen beweegt, zegt iets over de aard van de mens,
het is een kuddedier. Een mens staat immers nooit op zichzelf, maar kan
alleen begrepen worden vanuit zijn achtergrond, zijn context. Ouders,
gezinnen, families, schoolklassen, sport- en hobbyclubs, de buurt, dorps-
of stadsgemeenschappen, culturen, geloofsgemeenschappen. Steeds ben ik
op allerlei manieren te begrijpen vanuit mijn leefwereld. Zo heb ik bijvoorbeeld
een cliënt die zich bij zijn vriendenclub als een vis in het water
voelt, maar in aanwezigheid van zijn familie wordt overvallen door een
schrijnend gevoel van eenzaamheid. Deze eenzaamheidsgevoelens verschijnen
bij hem op de voorgrond in relatie tot zijn familie. Dit zegt niet alleen
iets over mijn cliënt zelf, maar ook iets over zijn familie waarbij
hij zulke intense gevoelens beleeft.
Een aantal mensen heb ik gevraagd hun toppunt van eenzaamheid te beschrijven.
Opvallend is dat meerdere mensen zich juist eenzamer in gezelschap van
anderen voelen dan tijdens momenten van alleenzijn.
Een 51-jarige vrouw die graag feestjes geeft:
'Een huis vol met mensen.'
Een 42-jarige organisatie-adviseur:
'Als ik een boodschap over wil brengen aan een groep mensen.'
Een alleenwonende 62-jarige vrouw:
'In een groot gezelschap.'
Een 45-jarige vrouw die niet bij haar man weg durft te gaan
'Met z'n tweeën.'
Een 25-jarige vrouw die het op haar werk niet naar haar zin heeft:
'Als mensen roddelen.'
Een 12-jarig meisje dat van leuke kleren houdt:
'Als niemand naar me kijkt.'
Een 42-jarige medicus die een hekel heeft aan recepties:
'Ken je de receptieblik? Ik stond laatst met iemand te praten op een drukbezochte
bijeenkomst, maar mijn gesprekspartner keek intussen of er interessantere
mensen waren.'
Bovengenoemde mensen voelen zich eenzaam, maar zijn niet alleen. Ze zijn
samen. Zij ervaren eenzaamheid het meest in gezelschap van anderen. Het
gezelschap geeft hun eenzaamheidsgevoelens betekenis.
Een ieder die ik vroeg naar zijn/haar toppunt van eenzaamheid schreef
iets op. Sommigen gaven het met een grootmoedig gebaar, anderen overhandigden
het als een geheim. Enkele verontschuldigden zich alsof hun antwoord niet
goedgekeurd zou gaan worden. Eén huilde. Ik werd er steeds verlegen
van en ik beschouw de antwoorden dan ook als cadeaus. Het gaat kennelijk
om iets kwetsbaars, iets schaamtevols, een geheim...?
'Sans famille, sans amis', zei een man die voor lange tijd voor zijn werk
uitgezonden is geweest.
'Toen mijn balletjuf zei dat ik niet goed genoeg was om op spitzen te
dansen', zei een 13-jarig meisje en besloot van balletles af te gaan.
'Ik mis een schouder', schreef een man die een vrouw zoekt.
'In de zorgen om mijn kinderen', antwoordde een 50-jarige moeder van vier
kinderen, nadat hun vader was overleden.
'Omdat ik nooit op feestjes mag komen', zei een 8-jarig meisje en haar
moeder huilde erom.
Een vriendin die ik vroeg naar haar eenzaamheid, schreef mij de volgende
brief:
'Zoals je weet heb ik vier jaar geleden mijn zoontje verloren na een zwangerschap
van bijna negen maanden (zo voel ik dat echt, ook al heb ik hem nooit
horen of zien lachen). Ik voelde mij daarna zowel geestelijk als lichamelijk
leeg. Mijn familieleden hebben allemaal hun eigen problemen en daarom
kon ik op hen nauwelijks een beroep doen. Gelukkig had ik een paar vriendinnen
waar ik op terug kon vallen. Maar ja, ieder heeft zijn eigen leven en
over zoiets praten kun je niet blijven doen. Mijn man zocht zijn "verwerking"
door hard te gaan werken. Je kent beiden het verhaal en op een gegeven
moment ben je uitgepraat. De echte pijn, het lege gevoel, het idee dat
je over straat loopt en er een groot bord om je nek hangt met daarop "mijn
baby is dood", het schuldgevoel dat ik lekker lag te slapen terwijl
mijn kindje dood ging in mijn "veilige" buik, dat is voor mij
het toppunt van eenzaamheid geweest in mijn leven'.'
Een acuut gevoel van eenzaamheid is de meest pijnlijke vorm van angst
die een mens kan ondergaan. 'Patiënten vertellen ons vaak dat die
pijn bestaat uit een fysiek, knagend gevoel in hun borstkas, of dat het
een gevoel is alsof ze met een scheermes in de hartstreek zijn geraakt,
maar ook dat het een mentale gevoelstoestand is, alsof men als kind is
achtergelaten in een wereld die geheel verlaten is' (May, 1993). Naar
mijn mening hoef je geen patiënt te zijn om dergelijke gevoelens
te beleven. Gevoelens van eenzaamheid maken mij juist tot mens, niet tot
patiënt. Mijn eenzaamheid is geen uiting van ziekte, maar van verlangen.
Een verlangen naar een ander mens, naar de verbinding met een ander mens.
2.3. Honger doet eten.
Hoewel honing eten erg prettig is,
is er een ogenblikje voor je begint te eten
dat nog prettiger is.
(Winnie de Poeh)
Perls (Perls, 1992) spreekt over een gemis waarachter een brandend verlangen
schuilt: de min-pool die een plus-pool oproept. Honger bijvoorbeeld staat
voor een tekort aan voedsel. Als ik merk dat mijn maag gaat knorren bemerk
ik een incomplete situatie, een tekort. Ik ben me gewaar van een behoefte
en zet me in beweging op zoek naar voedsel. Mijn bevrediging bestaat eruit
dat ik eet totdat het tekort is opgeheven. Elk levend wezen zal steeds
vanzelf de staat van verzadiging opzoeken. Dat zal hij automatisch doen:
het is een natuurlijk gegeven. In Gestalt wordt dit de organische zelfregulering
genoemd.
Dit zelfde principe geldt voor iedere behoefte, voor ieder tekort. De
mens is bewust of onbewust altijd op zoek naar de bevrediging van zijn
behoeften. Voor de meeste volwassen mensen is het moeilijk om behoeften
bewust te maken. Veelal hebben we in de loop van ons leven behoeften leren
onderdrukken. Bij mij begon dat al toen mijn moeder me van alles afleerde.
Bijvoorbeeld om in gezelschap een boer te laten, of om één
van mijn broertjes een pak rammel te verkopen als ze me zaten te jennen.
Het is lastig om behoeften te hebben die niet te bevredigen zijn. Nog
lastiger is het echter als je niet eens weet dat je behoeften hébt.
Dat is honger hebben zonder dat je in de gaten hebt dat je eigenlijk zou
moeten eten. Dat is een tijdje vol te houden, maar lichamen liegen niet.
Dus vroeger of later gaan mensen of op zoek naar eten of creperen.
Zo kwam er een vrouwelijke verpleegkundige bij mij in therapie. Een gescheiden
moeder met drie opgroeiende kinderen. Zelf was ze de oudste van zes. Ze
maakte op mij een keurige, plichtsgetrouwe indruk. Grijzend kortgeknipt
haar, brildragend en onopvallend gekleed. Ze was een beetje tanig en liep
met hoog opgetrokken schouders. Haar hulpvraag betrof de opvoeding van
één van haar kinderen. Toen ik haar voor het eerst zag,
kwam er een woord in me op: opgedroogd. Nadat we een paar sessies hadden
gewerkt vergeleek ze zichzelf met een cactus. 'Cactussen hebben immers
maar weinig water en voedsel nodig en blijven toch in leven', zo zei ze.
Ik kon het niet laten haar steeds te vragen wat ze nodig had. 'Waarom
vraag je dat toch steeds?' vroeg ze dan geïrriteerd. 'Daar kom ik
toch niet voor.' Waarop ik me min of meer verontschuldigde dat ik het
alwéér gevraagd had. Ik vond mezelf op mijn oma lijken,
die zonder te vragen voor de tweede keer mijn bord vol schepte met van
die 'heerlijke' griesmeelpudding, 'omdat het zo goed voor me was'.
Op een keer begon mijn cliënte met enthousiasme over haar werk te
praten. Ze werkte op een oncologische afdeling met veel terminale patiënten.
'Zieke mensen voelen zich vaak eenzaam en hebben extra aandacht nodig.
Dat maakt mijn werk zo bijzonder. Ik leer mensen kennen in situaties waarin
ze hulpbehoevend en noodlijdend zijn. Daar probeer ik tussen de bedrijven
door toch wel zorg voor te hebben. En ik denk ook dat ik daar goed in
ben: "om dat beetje zorg extra te bieden."' Haar wangen kregen
kleur en haar stem klonk warm. Ik kon me goed voorstellen hoe toegewijd
ze haar werk deed. Zoveel warmte en aandacht voor haar patiënten.
Waar haalde ze het vandaan? 'Als ik ziek zou zijn, zou ik jou graag aan
mijn bed willen hebben', zei ik. 'Volgens mij ben ik dan heel goed af.'
Toen schoot me het zogenaamde hulpverlenerssyndroom te binnen wat ik zelf
maar al te goed ken: Geven aan een ander wat je zelf het hardste nodig
hebt. Op mijn vraag of ze het herkende, reageerde ze geschokt. Ze werd
zich bewust van haar enorme honger en dorst naar 'dat beetje zorg extra'.
Ze vroeg of ik haar vast wilde houden. Dat deed ik en ik dacht eraan hoe
hard ik het zelf nodig had.
3.1. Kommer en kwel.
Wanneer iemand die je dierbaar is vast zit in een deuropening
en hij moet blijven zitten tot hij dun genoeg is,
lees hem dan een Goed Boek voor,
dat hem zou kunnen troosten in zijn Grote Nauwte.
(Winnie de Poeh)
Wat heb ik, als gestalttherapeut te bieden aan mensen die vast zitten
in een deuropening? Ik bedoel aan mensen die eenzaam zijn en niet weten
wat hun behoeften zijn of geen idee hebben hoe ze hun behoeften zouden
kunnen lenigen.
Eén van de meest schrijnende vormen van eenzaamheid ervaren patiënten
met afasie. Dit is het onvermogen tot spreken. Het betekent dat als je
graag iets wilt zeggen je niet op de woorden kunt komen of dat je woorden
gebruikt die voor jou duidelijk zijn, maar die niemand begrijpt. Er zijn
ook allerlei psychische stoornissen die een enorme eenzaamheid met zich
meebrengen. Niet alleen degenen die aan een stoornis lijden ervaren eenzaamheid,
maar ook de personen die in contact met hen zijn. Bijvoorbeeld de ziekte
schizofrenie roept veel op bij zowel de patiënten als hun partners,
familieleden en omstanders. Gevoelens van nutteloosheid bij ziekte, ouderdom
en werkeloosheid hebben ook een vereenzamend effect. Maar ook het moeten
meedragen van een geheim maakt dat mensen in een geïsoleerde positie
terecht kunnen komen: vrouwen met een verzwegen incestverleden bijvoorbeeld.
En dan heb ik het nog niet gehad over de verschoppelingen, de randmaatschappelijken
en de verslaafden die rondzwerven in isolement. Eenzaamheid en onmacht
ervaar ik in deze contacten.
De hospita komt binnen en zegt: 'Ik heb een uur uw hand vastgehouden,
het tarief is twintig cent'. Dan wordt Johan niet gek van teleurstelling,
maar hij betaalt. Ik ben een steen, dat is zijn idee, Ik ben een steen,
niemand wil wat met me te maken hebben. Ik ben een rots van eenzaamheid.
Het meest ben ik een overtollig mens. Een citaat uit de verhalen bundel
'Een overtollig mens' (Biesheuvel, 1988) waarin de eenzaamheid en angst
wordt verhaald van een jonge academicus, die graag bij de mensen wil horen,
maar wordt uitgestoten. Wat me raakt in dit citaat is het woord 'overtollig'.
Het betekent 'je teveel voelen', 'je niet nodig voelen', 'je waardeloos
voelen'. En wie kent dit gevoel niet.
3.2. Experiment.
Als het lijkt alsof degene tegen wie je praat niet luistert,
heb dan een beetje geduld.
Misschien heeft hij gewoon een pluisje in zijn oor.
(Winnie de Poeh)
In mijn opleidingsgroep deed ik een experiment. Ik wilde graag onderzoeken
welk effect het heeft als één groepslid duidelijk afwijkt
van de rest van de groep.
Mijn groep bestond die dag uit tien mensen aan wie ik opdrachten uitdeelde.
Niemand wist van elkaar welke dat waren. Negen mensen kregen dezelfde
opdracht welke luidde: 'Loop rond en praat met elkaar over het afstuderen.'
Eén groepslid kreeg een ander briefje waarop stond: 'Je hebt ontzettende
last van voetschimmel. Je spreekt Duits.' Deze ene kreeg dus twee afwijkende
kenmerken: Een lastig kwaaltje, waarop een taboe rust en de handicap een
andere taal te spreken: de dissident.
Het experiment ging van start en de groepsleden begonnen door elkaar heen
te lopen. De meesten raakten vrij snel in een geanimeerd gesprek over
het onderwerp wat hun aller belangstelling had: namelijk het eindwerk!
Degene met de afwijkende opdracht, Ellen genaamd, kreeg ook vrij snel
aansluiting bij één van de vrouwelijke groepsleden. De laatste
was nieuwsgierig naar de anderssprekende 'zieke', maar ging na een tijdje
elders eens polshoogte nemen. Voor het overige gedeelte kreeg Ellen steeds
even aandacht, waarna de groepsleden wat lachten of verstoord opkeken
van hun belangrijke opdracht. Eigenlijk deed niemand echt moeite om zich
met Ellen te bemoeien. Ik stond aan de zijlijn en zag hoe het veld zich
letterlijk verdeelde in geanimeerd pratende mensen in en twee- en drietallen,
en één groepslid dat steeds wanhopiger mensen probeerde
aan te klampen. Ze zei steeds: 'Ich brauche einen Artzt.' wees naar haar
kousevoeten en begon als een bezetene tussen haar tenen te krabbelen.
Maar de meesten hadden nauwelijks oog voor haar en ze bleef tot het eind
toe niet gehoord en ongeholpen.
Bij de evaluatie bleek pas hoe slecht Ellen dit experiment was bekomen.
Ze was werkelijk verschrikkelijk boos en voelde zich enorm in de steek
gelaten. Aanvankelijk had ze het opgenomen als iets leuks en geks en had
ze nog niet in de gaten gehad dat ze als enige een afwijkende opdracht
had. Als iemand niet met haar wilde praten ging ze nog enigszins blijmoedig
naar de volgende, maar al gauw stak er een gevoel eenzaamheid de kop op.
Later zei ze verontwaardigd: 'Die vlotte hautaine lui met hun gestaltgeneuzel!'
Naarmate de eenzaamheid erger werd, ging ze steeds harder praten en haalde
ze de schimmel en de stank erbij (wat ze aanvankelijk nog verborgen had
gehouden) 'Ik voelde me zo langzamerhand een paria worden. De mensen praatten
niet eens in het Duits terug, maar in het Nederlands! Ze vroegen of ik
ook iets in Gestalt deed'. Ik antwoordde: 'Ja, aber meine FÜsse
sind Voorgrund. Maar niemand luisterde naar me. Eén wilde me zelfs
buiten de deur zetten. Ik voelde me heel eenzaam en onbegrepen. Op den
duur kon ik zelfs geen gezichten meer onderscheiden, de groep was één
bewegende massa geworden. Ze leken ook allemaal langer te zijn dan dat
ik zelf ben. Ze bleven maar praten en ik zag alleen maar Gestalt. Ze vormden
een ondoordringbare groep. Het was vreselijk en eigenlijk voel ik me nog
steeds ellendig!'
De ervaringen van de overige groepsleden waren:
'Ik had geen zin om te helpen. Ik heb het afgewimpeld.'
'Ik ben anders. En ze was al in goede handen.'
'Eerst was ze grappig, maar later werd HET een obstakel.'
'Het probleem was niet groot genoeg.'
'Ik heb de opdracht naar eer en geweten vervuld. Ik ben Ellen niet eens
tegen gekomen.'
'Ik snapte niet wat ze bedoelde. Ik had een innerlijk conflict tussen
"voor haar willen zorgen" en "mijn eigen ding doen".
Maar het laatste vond ik later toch belangrijker.'
'Zo erg was het niet wat Ellen mankeerde. In ieder geval niets levensbedreigends.'
'Ik vind Duits een vreselijke taal.'
'De hulpvraag was niet duidelijk genoeg.'
Kortom: De ernst van de klachten is niet groot genoeg en de wijze van
presenteren is niet duidelijk genoeg. Dat betekent dus dat je, zoals Ellen
gebeurd is, eenzaam, onbegrepen en ongeholpen bent en blijft. En ik vraag
me nu af hoe het komt dat de groepsleden niet verantwoord gehandeld hebben
door de hulpvrager te helpen? Twee fenomenen schijnen hier een rol te
spelen. Ten eerste meervoudige ontkenning, wat wil zeggen dat iedereen
in de groep iedereen misleidt door de situatie te beschrijven, zijnde
geen noodtoestand. Ten tweede de verspreiding van verantwoordelijkheid.
Dit betekent dat hoe meer mensen aanwezig, hoe minder een persoon zich
verantwoordelijk voelt om te reageren op een noodtoestand (Cummins, 1995).
Er ontstaat zelfs een 'widening of the gap'-fenomeen. Het werd immers
steeds moeilijker voor zowel de hulpvrager als de eventuele hulpbieder
om in normaal contact te treden. Want doordat Ellen steeds harder ging
praten en zich steeds vreemder ging gedragen, werd het effect van afstoting
en verlatenheid nog eens versterkt. 'Ze ging steeds gekker doen, maar
daar was ik niet van gediend.'
3.3. De ander.
Een beetje Beleefdheid,
een beetje Aandacht voor Anderen,
maakt een wereld van verschil.
(Winnie de Poeh)
In de spreektaal wordt eenzaamheid nogal eens beschouwd als een kwaal.
Een ziekte die ontstaat vanuit de complexe en onpersoonlijke welvaartsmaatschappij.
We lijken dan niet te beschikken over de juiste sociale vaardigheden.
Het ontbreken van intieme of sociale contacten wordt ook wel interpersoonlijke
of relationele eenzaamheid genoemd. 'Iedere groep ontwikkelt een serie
ongeschreven regels en normen die bepalend zijn voor de gedragsvormen
van de groep' (Yalom, 1994). Wat gebeurt er nu als mijn normen duidelijk
afwijken van de groepsnorm, zoals bijvoorbeeld bij Ellen is gebeurd? Het
houdt namelijk in dat de groep de consensus heeft, met elkaar overeenstemt
en dat één groepslid de dissident is.
Zo had ik laatst een meisje van twaalf jaar in begeleiding dat het gevoel
had buiten de groepsnorm te vallen. Het was een hoogbegaafd meisje met
een rijk gedachtenleven. Ze was keurig en beleefd in de omgang met volwassenen
en leek voor sommige van hen 'een modelkind'. In haar eigen leeftijdsgroep
viel ze echter volledig buiten de 'ongeschreven' norm. In haar klas deed
ze bijvoorbeeld nooit mee als de kinderen kattekwaad uithaalden. Zij hield
ervan de regels van de leerkracht op te volgen. Als haar vriendinnen vroegen
waar zij nu eens zin in had, kon ze eigenlijk ook niks bedenken. Op deze
manier isoleerde ze zichzelf van haar groep. Ze liep op de paden die door
volwassenen waren uitgezet en ze conformeerde zich niet aan de groepsnorm.
En zoals dat vaak gaat bij deze kinderen werd ze ook nog de beschermeling
van haar leerkracht. 'Het stuutje' werd ze genoemd. Haar klasgenootjes
daagden haar uit om mee te doen met kattekwaad uithalen, maar het meisje
hield voet bij stuk en liet zich niet verleiden. Op een dag werd ze keihard
aangepakt. Ze hoorde er van nu af aan niet meer bij. 'Wij willen geen
vriendin meer met jou zijn', zo zeiden de meiden. 'We hebben nu lang genoeg
rekening met je gehouden. Je bent een blok aan ons been. Zoek het maar
uit.' Het meisje was uitgestoten en voelde zich eenzamer dan haar smalle
schouders dragen konden.
Een voorbeeld van hoe een groepsproces kan verlopen als één
groepslid buiten de norm valt. De leerkracht nam in dit geval een begeleidende
functie op zich. Namelijk het opnieuw in contact brengen van beide partijen
om te exploreren welke boodschap ze precies aan elkaar hadden. Het uitgestoten
meisje werd gekend in haar verdriet om afwijzing en werd begeleid in het
experimenteren met nieuw gedrag. Het evenwicht tussen 'conformeren' en
'differentiëren' wordt weleens aangeduid als 'het universele conflict'
van de mens. Dit 12-jarig meisje stond vrij jong voor de uitdaging om
hiermee aan de slag te gaan.
Tevens nam de leerkracht de verantwoordelijkheid voor zijn eigen rol op
zich. Hij had immers een duidelijke positie in het geheel ingenomen. Maar
ook de klasgenootjes die hun nek hadden uitgestoken werden erkend in het
feit dat ze de moed hadden gehad om congruent te zijn met hun gevoelens
van ergernis. Ik merk dat kinderen vaak veel trouwer aan hun gevoelens
zijn dan volwassenen. Dit komt op mij soms bikkelhard over. Toch meen
ik dat het doodzonde zou zijn als we hen dit afleren.
Daarnaast is de ontwikkeling van empathie, het inlevingsvermogen in de
ander een heel wezenlijk aandachtspunt. Op een respectvolle manier een
ander willen ontmoeten met aandacht voor zijn gevoelens en zijn uniciteit.
'Het meest menselijke in de mens', zegt Levinas, 'is het vermogen om de
belediging van de beledigde te zien.' Dus ook het vermogen om de eenzaamheid
van de uitgestotene te zien. Dit is geen capaciteit, geen vaardigheid
maar een ontvankelijkheid waardoor het 'ik' buiten de gezichtskring van
het eigen existeren wordt getild. Ik heb blijkbaar toch meer zorg dan
slechts de zorg om mijn eigen bestaan. Deze 'ontvankelijkheid' is eigen
aan en specifiek voor de mens. Door mezelf werkelijk te verplaatsen in
de ander, zal er een moment zijn waarin ik vergeet wie ik zelf ben en
zal ik worden opgenomen in een groter geheel. '... waarin de zorg om de
eigen identiteit wordt vergeten, vanuit een verlangen naar recht en rechtvaardigheid.
De Ander brengt iets nieuws tot stand, iets dat ik niet uit mijzelf kan
putten; hij sticht mij als moreel wezen. De Ander met hoofdletter, omdat
niet elke willekeurige mens wordt bedoeld, maar de "vreemdeling,
de weduwe en de wees", dat wil zeggen ieder die door zijn existentie
aan de marge de vanzelfsprekendheid van het heersende rechtssysteem ter
discussie stelt' (Bor, Petersma, 1995). Deze ontvankelijkheid is menselijk
en aangeboren. Daarom konden ook deze kinderen hun vermogen tot ontvankelijkheid
inzetten.
3.4. Met z'n allen.
Het is al erg genoeg dat je je ellendig voelt,
maar het wordt nog erger wanneer alle anderen ook beweren
zich ellendig te voelen
(Iejoor)
Als je toegeeft dat je je eenzaam voelt, kan dat worden opgevat als een teken van zwakte: Je moet geholpen worden. Onafhankelijkheid en succes daarentegen zijn vaak tekenen van kracht: Je hebt dan niemand nodig. Ik had laatst een discussie met twee studentes van begin twintig. Zij beschouwden hun onafhankelijkheidstreven als de grootste drijfveer in hun leven. Ze wilden hun boontjes zelf kunnen doppen en hadden als hoogste prioriteit: zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Dat is natuurlijk een prima uitgangspunt. Maar toch lijkt het erop dat we steeds sterkere benen moeten hebben om onszelf staande te houden in het leven. Als ik naar mijn dochters kijk (7 en 12 jaar) en bedenk hoeveel er nu al van hen gevraagd wordt en hoeveel méér er nog van hen verwacht gaat worden in de toekomst, dan lijkt me dat een grotere belasting voor de jeugd dan een aantal decennia geleden. Naar mijn mening vloeit deze overvraag voor het individu voort uit een onderwaardering voor het gemeenschapsleven. Saamhorigheid neemt in onze cultuur niet meer zo'n prominente plaats in als vroeger. En dat vind ik jammer. Want ik geloof in de kracht van samen werken, samen schrijven, samen feesten, samen dansen, samen zorgen, samen lachen, samen zingen, samen rouwen (McNeill, 1995). Ik bedenk me wat een rijkdom het is als er veel mensen op een begrafenis van een geliefde komen en met me meerouwen. De gemeenschap geeft erkenning aan de zwaarte van mijn last. En meer dan dat, de gemeenschap neemt de verantwoordelijkheid voor het proces over. Bijvoorbeeld door de kist te dragen, met daarin het lichaam van mijn dierbare. Door me vast te houden als de kist in de aarde zakt, dat ik niet mee in de kuil zal springen. Begraven moet gebeuren, het is niet mogelijk het lichaam bij me houden ook al zou ik niets liever willen. Daarom helpt de gemeenschap me door het ritueel vorm te geven. Ik weet dat het moet gebeuren, maar het is te zwaar om het alleen te doen: ik ben niet in staat mezelf te dragen, maar ik kan me wel laten dragen door de gemeenschap. En dat is veel meer dan troost. Het wordt me dan ook altijd kil om het hart als ik onderaan een rouwadvertentie zie staan: 'Geen bezoek. Geen bloemen'. Wat moet dat eenzaam zijn om zonder gemeenschap afscheid te nemen.
3.5. Besta ik nog?
'En hoe voel je je?' zei Winnie de Poeh
Iejoor schudde zijn kop heen en weer.
'Niet erg hoe', zei hij. 'Ik geloof dat ik me al een hele poos niet erg hoe heb gevoeld.'
(Winnie de Poeh)
Mijn oude buurman vertelt weleens over het dorpsleven van vroeger, waarbij
hij de mensen altijd bij hun bijnaam noemt. Als ik dan vraag wie hij bedoelt,
kent hij niet eens de 'echte' naam. Jij, als mens kreeg betekenis door
de naam die de gemeenschap voor je had verzonnen. En daardoor hoorde je
erbij in het dorp. Zelfs al noemden ze je 'Ko van buiten', dan toch hoorde
je erbij. Je bestaansrecht binnen het dorp werd op deze manier bevestigd.
Immers, je bestaat, op voorwaarde dat anderen je kennen. 'Voor wie ik
liefheb, wil ik heten', luidt de titel van een gedicht van Neeltje Maria
Min. Noodzaak was het om 'erbij' te horen. Anders kon je niet leven. De
vraag die in me opkomt: Kan ik nu wèl leven zonder bij een gemeenschap
te horen?
Ik kende een arts die hoog in aanzien stond in zijn gemeenschap. Toen
bleek dat door zijn nalatigheid een paar van zijn patiënten waren
overleden, werd hij door het medisch tuchtcollege uit zijn functie ontheven.
Dit had grote gevolgen, niet alleen voor de man en zijn gezin, maar ook
voor de gemeenschap waarin hij leefde. Het was natuurlijk ook vreselijk
wat er was gebeurd. Gemeenschappen hebben hun eigen ongeschreven norm
en kunnen ook bikkelhard zijn. Als je niet aan de gestelde normen en waarden
(de consensus) voldoet, betekent het dat je binnen de groep niet (meer)
erkend wordt. Deze man had de belangrijkste waarde binnen zijn beroepsgroep:
'levensreddend dienstbaar zijn' geschonden. Het onvermijdelijke gebeurde:
de arts werd uitgestoten uit zijn gemeenschap van collega's, patiënten
en stadsgenoten. Het was voor de gemeenschap niet meer mogelijk hem te
zien en te erkennen. Niemand had hem nog nodig, niemand kon naar hem kijken.
Hij werd ontkend als arts en als mens. En hij voelde dat hij niemand nog
wat schelen kon. Het enige wat hem restte was de positie van zondebok.
Maar de schade bleek onherstelbaar. Een jaar later stierf hij aan een
hartaandoening.
'Iedere doodsoorzaak doet eenzame mensen significant eerder sterven dan
hen die met voldoening met een ander samenleven' (Lynch, 1990). Deze casus
onderstreept de meer algemene lering die Bettelheim uit de geschiedenis
van de jodenmoord trekt 'dat mensen die van iedereen verlaten zijn doodgaan,
en dat een mens een catastrofe alleen kan overleven als hij voelt dat
het iemand anders schelen kan' (De Swaen, 1984).
Mensen hebben mensen nodig, anders gaan ze dood. Wellicht lijkt het maar
alsof het gemeenschapsleven een minder belangrijke plaats inneemt dan
vroeger, en is alleen de gemeenschapsvorm veranderd.
4.1. Het lot.
't Is heel moeilijk om dapper te zijn
als je maar een Heel Klein Beestje bent
(Knorretje)
Mijn lot is mijn lot en van niemand anders. Het betekent dat ik in mijn
eigen boot zit en mijn eigen koers vaar. Soms kan ik op eigen kracht roeien
naar een plek waar het goed toeven is en soms laat ik mij met de stroom
meedrijven. Als ik tegen de stroom in wil roeien zal ik merken dat me
dat veel moeite kost. Het kan ook gebeuren dat ik zwaar weer tref. Ik
zal er dan alles aan moeten doen om mijn boot droog te houden en niet
overboord te slaan. Gelukkig zijn er weleens mensen die een tijdje met
me meevaren, maar vroeger of later stappen ze ergens uit of vallen overboord.
Dat is meestal vreselijk, maar het kan me ook erg opluchten. Het is vaak
eenzaam in mijn boot. Vooral omdat ik steeds mijn eigen kant op ga en
ik nooit weet wat er nog komen gaat.
'De mens is als het ware ingeklemd tussen "zijn geworpen zijn"
en zijn dood' (Heidegger, in Bor, Petersma, 1995). De reis hiertussen
zal ik alleen moeten maken. Deze reis heet 'leven', met daarin mijn eigen
onontkoombare lot. Meestal leef ik gewoon: door op te gaan in de dingen
van alledag waardoor mijn leven louter uit uiterlijke bezigheden lijkt
te bestaan. Dit is echter schijn. Het kan plotseling onderbroken worden
door momenten van besef dat ik mijn lot alleen te dragen heb. Ik ervaar
dat als pijnlijk en angstig. Heidegger gebruikt de term 'unheimisch',
waarmee hij een 'niet-thuis-gevoel' bedoelt. Hij verwijst hiermee naar
de staat waarin de mens zijn vertrouwdheid met de wereld verliest.
Vorig jaar om deze tijd vierde een vriendin van mij haar verjaardag. Het
was een prachtige voorjaarsdag waarin het leven me zorgeloos leek. We
zaten met elkaar in de tuin een beetje babbelen, terwijl onze kinderen
verstoppertje speelden. Ik had het gevoel alsof er nooit een einde aan
de zomer zou komen. Nog geen halve dag later echter werd mijn dochter
in zeer kritieke toestand opgenomen op de intensive care afdeling van
een universiteitsziekenhuis.
Ik zie het blauwe zwaailicht van de ambulance weerkaatsen in het zwarte
wegdek. We rijden hard, midden op de weg. De sirene snijdt snerpend door
de stille nacht. We komen langs het huis van haar beste vriendin. Ik kijk
verlangend naar dat vertrouwde huis, daar waar ze gisteren nog speelden.
In het huis weten ze niet dat er in deze ambulance gevochten wordt voor
het leven van mijn kind. Ze weten nog niks, ze slapen, alles is donker.
'Waak met mij, waak met mij!' wil ik roepen, mijn kind gaat
dood!' Ik voel de impuls de deur van de ambulance open te rukken,
mezelf eruit te gooien, naar dat huis te rennen, te bonzen op de deuren
en te schreeuwen dat er iets HEEL ERGS is. Dat mijn prachtige dochter
moet leven. 'Jullie mogen niet slapen. Bid, bid!' wil ik smeken.
Ik zie hun verschrikte gezichten voor me. Witte gezichten in de zwarte
nacht. Maar de ambulance is al kilometers verder. Niemand, niemand....weet
het nog.
Is dit alleen maar een vreselijke nachtmerrie? Eén die ik me nog
maanden zal herinneren, maar die gelukkig niet echt was? Ik kijk naar
de brancard en zie dat de alarmlichtjes alweer opflikkeren. Mijn hart
lijkt stil te staan, mijn adem jaagt oppervlakkig door mijn keel. Mijn
ogen voelen groot in hun kassen. De broeder buigt zich over haar stille
lijf. Ik zie zijn bezorgde gezicht.
Ik had geen keus. Mijn eenzame lot eiste om geleefd te worden. Ik werd
wakker geschud uit de schijn der dingen en geplaatst voor het feit dat
ik, en alleen ik, de moeder was van dit doodzieke kind. Een ervaring waar
ik anders uit tevoorschijn ben gekomen. Existeren komt van het Latijnse
Latijn exsistere wat betekent 'te voorschijn komen, ontstaan, worden,
bestaan'. Ik ben de wereld opnieuw en zelfs hernieuwd gaan ontmoeten.
4.2. Niet thuis!
Als je huis volkomen spoorloos is, moet je niet klagen.
Je hebt nog altijd die sneeuw waarmee je kunt doen wat je wilt.
(Iejoor)
Er zijn dus momenten waarin alles anders is geworden, waarin niets meer
is wat het leek te zijn. Het gevoel dat alles wat me ooit veiligheid en
houvast heeft geboden is verdwenen en ik geen vaste grond meer onder mijn
voeten heb. Een moment dat ik nergens thuis ben: niet hier en nergens
anders op de wereld. Dat is het moment waarop ik me zal realiseren dat
ik wezenlijk eenzaam ben. Het is de ervaring van iets, waar ik het liefst
zo snel mogelijk bij vandaan wil. Want: 'Waar ben ik bang voor? Van 'Niets'.
Het 'niets' gewaarworden is doodeng. Maar als ik de moed heb om het toch
te doen, als ik durf te vertoeven in dat 'niets', in mijn grondeloze eenzaamheid,
ben ik mij van mezelf bewust en hoe ik mij tot de wereld verhoud. 'Dat
wij, ontheemd als wij in de beklemming van de angst zijn, dikwijls de
leegte van de stilte door willekeurig gepraat trachten te vullen, bewijst
juist de tegenwoordigheid van het niets. Er-zijn wil zeggen: zich in het
Niets ophouden' (Heidegger, in Bor, Petersma, 1995).
De mens die zich volkomen bewust is van zichzelf en van zijn eenzaamheid
zal deze ook leren te dragen in de loop van zijn ontwikkeling, maar daar
is tijd en moed voor nodig. Gewaarzijn van het Niets zelf, brengt je bij
de ervaring van het Zijn, van Er-Zijn oftewel Dasein. Het is een wiebelig
staan tussen het bekende en onbekende, tussen 'thuis' en 'niet-thuis'
zijn. Hoe vaker ik op deze drempel durf te staan, hoe vertrouwder dit
gevoel zal worden. Als je eenmaal vertrouwd bent geworden met het gevoel
van 'niet-thuis' zijn, met je existentiële eenzaamheid, dan is het
soms zelfs prettig om hem op te zoeken en zal hij je vriend worden.
'Mezelf tegenkomen', is zo'n kreet die ik weleens gebruik. Als ik eenzaam
durf te zijn, betekent het dat ik ben. Dat ik mijn uniciteit erken en
ervaar, dat ik besef dat ik anders ben dan ieder ander en dat me bewust
ben van mijn dissensus. Worden wie ik ben kan door 'niet thuis te durven
zijn'. Als ik mijn eenzaamheid onder ogen zie, zal ik me realiseren dat
het een onvermijdelijk gegeven van mijn bestaan is. Ik kan er niet onderuit,
want er komt een dag dat ik 'een onoverbrugbare kloof zal ervaren tussen
mij en elk ander levend wezen' (Yalom, 1980). Het mysterie van leven en
dood: de eenzaamheid van het alleen ter wereld komen en deze ook alleen
weer moeten verlaten. Het zijn ervaringen die wij alleen zullen moeten
doormaken. Immers, hoe dicht de onzen ook bij ons zijn als we sterven,
uiteindelijk gaan wij allen alleen de poort door.
En hier vind ik dan ook de pleister die ik op mijn existentiële wond
kan plakken. Ik mag mij verbonden weten met alle andere eenzamen. Zoals
ik al zei: Mijn eenzaamheid is kennelijk zo eenzaam nog niet. 'Hoewel
je alleen in je eigen boot zit, is het een troost de lichten te zien van
andere boten die in de buurt ronddobberen' (Yalom, 1989).
Samen gegeten, samen gedronken
samen gemeenschap geweest
en nu weer alleen.
Alleen?
In de stilte van de nacht met mijn vrienden, met mijn vrienden
word ik bang, beangst en bang,
zo vlak bij mijn trouwe vrienden.
Driemaal gevraagd om met mij te waken,
driemaal zo moe, zijn jullie gaan slapen.
In de stilte van de nacht
groeit de wanhoop,
slechts verlatenheid en angst,
ja, van god en mens verlaten.
(Marijke de Bruijne)
4.3. Mijn angst is mijn verlangen.
We kunnen niet allemaal, en sommigen van ons niet.
Meer valt er niet over te zeggen.
(Iejoor)
Soms lijkt mijn eenzaamheid zo overweldigend, dat ik er als het ware
niet 'in' durf te gaan. Ik zoek dan verzachting en afleiding op alle mogelijke
manieren om maar niet te hoeven voelen hoe pijnlijk mijn eenzaamheid eigenlijk
is. Bijvoorbeeld door me onder te graven in allerlei activiteiten en contacten.
Het lijkt dan of ik niet eenzaam ben, maar diep van binnen heb ik het
gevoel dat hij op de loer ligt om mij in een onbewaakt ogenblik bij de
keel te grijpen. Eigenlijk ben ik vaak bang voor mijn eenzaamheid en is
het voor mij alleen te behappen als ik mij onmiddellijk verbind met andere
eenzame zielen. Dit doe ik bijvoorbeeld door te zeggen: 'Ik ben eenzaam,
maar dat ben ik niet alleen. Ieder mens is immers eenzaam.' Hiermee houd
ik het fysieke knagende gevoel van mijn existentiële eenzaamheid
bij mezelf weg. Soms is er echter geen ontkomen aan. Sinds kort weet ik
dat ik huidkanker heb. Het is een vrij ongevaarlijke vorm van kanker,
maar toch: het woord 'kanker' doet mij steeds beven als een riet. De huidarts
vertelde me dat het erfelijk is. Natuurlijk heb ik dat meteen aan mijn
broers verteld. Met schaamte moet ik bekennen dat ik een beetje hoopte?
dat één van hen het ook zou hebben. Kanker in je eentje
is erger dan kanker met z'n tweeën. Daarom zoek ik lotgenoten. Ik
doe verwoede pogingen om niet eenzaam te zijn. En toch zal ik het zijn.
Want ook al krijgt de hele wereld kanker: Dit is wel mijn kanker. 'Separation
from the world' (Yalom, 1980) en niet anders.
Ik ben bang voor ziekte, ik ben bang voor de dood, ik ben bang om oud
te worden: Ik ben bang voor mijn eigen verval en nietigheid. Gelukkig
zijn we er in deze maatschappij op ingesteld, dat we niets meer alleen
hoeven te doen. De communicatiemogelijkheden zijn heden ten dagen ongekend
groot. Denk alleen maar eens aan de verbindingsmogelijkheden van internet.
We kunnen ons ook overal bij aansluiten: er zijn hulpgroepen en instanties
waar ik voor allerhande moeilijkheden terecht kan. Bovendien zijn er veel
manieren om te zorgen dat ik een goed gevulde agenda heb. 'Hoe gaat het
met jou. Lang niet gezien?' 'Ja goed, maar druk, hè. Zo druk heb
ik het.' Ik wil graag belangrijk zijn en aanzien hebben. Veiligheid, orde,
controle en zekerheid staan hoog in het vaandel. Zo vlucht ik, weg van
mezelf en mijn gevoelens van eenzaamheid. Steeds verder van mezelf vervreemd.
Want, o wee als ik bij dat umheimische gevoel van 'niet-thuis-zijn' kom.
Ik ben een produkt van mijn tijd en deze tijd is niet echt ingesteld op
mensen die zich eenzaam voelen. En toch is eenzaamheid een enorm probleem
van deze tijd. Welke factoren in mij, in de samenleving, maken velen van
ons tot een eenzaam individu, afgescheiden en apart, terwijl de anderen
ons toch nodig hebben en zij ons? Iemand in mijn omgeving noemde het 'de
armoede van de tijd'. De begrafenis van prinses Diana, vorig jaar augustus
maakte diepe indruk op mij. Dat zoveel mensen zich verzamelden in rouw
rondom 'The queen of hearts'. Zo groot is kennelijk het massale verlangen
naar fundamentele verbondenheid. We verlangen ernaar en we zijn er bang
voor. De paradox van de opwinding: 'Je angst is je verlangen', zei mijn
eerste therapeut. Ik verlang naar verbinding, maar dat betekent dat ik
eerst mijn afgescheidenheid en eenzaamheid zal moeten doorvoelen, voordat
ik mij met mijn wezen kan verbinden. Om geluk te beleven, zal ik eerst
door lijden moeten gaan. Durf ik te lijden aan mijn niet-thuis-gevoel?
Heb ik het lef om uit mijn drukke, belangrijke bestaan te stappen, mijn
trots te laten varen en te zeggen: Ik voel me eenzaam?
4.4. Noodzakelijk goed.
Wanneer je kilometers lang door de storm hebt gelopen
en je komt opeens iemands huis binnen en die zegt:
'Je bent precies op tijd voor een hapje van het één of ander',
dan is het een Vriendelijk soort dag.
(Winnie de Poeh)
Mijn cliënt die ik al eerder heb besproken in paragraaf 1.3 voelde
zich eenzamer dan ooit. Hij liep kilometers lang door de storm in totale
verlatenheid. Zijn eenzaamheid was bijna niet te dragen en hij dacht er
dan ook serieus over na om zichzelf het leven te benemen. Wat hem restte
was de herinnering aan de korte periode van intens geluk met zijn vriendin:
het enige wat hem van zijn zelfdoding leek af te houden. Hij zei: 'Eigenlijk
doe ik het niet omwille van haar. Dat zij zich niet schuldig hoeft te
voelen om wat we hebben gehad.' Ik had vaak het gevoel alsof hij en ik
in een soort ruïne zaten, waarbij we probeerden wat brokstukken bij
elkaar te scharrelen. Allengs merkte ik dat hij een beetje houvast begon
te krijgen. Hij scharrelde immers niet alleen: ik hielp hem mee, dat ene
uur in de week. Hij vertelde dat hij ontzettend verlangde naar een schouder,
naar iemand om zomaar tegenaan te liggen in zijn kille bed, naar iemand
aan zijn lege tafel, naar iemand in zijn stille huis. Wat een eenzaamheid,
wat een hunkering naar liefde en warmte. Hoe komt iemand zover? Welke
man durft zich zo te laten meeslepen door de passie voor een vrouw dat
hij alles, maar dan ook alles voor haar opzij zet? Ik was geraakt. Wat
een man, wat een leven! Ik vertelde het hem met het schaamrood op mijn
kaken, waarbij hij verbaasd opkeek. Jazeker, hij was voor mij aantrekkelijk.
Hij kon zich er niets bij voorstellen. En daar zat ik dan, verlegen als
een schoolmeisje tegenover een man die zich niet kon voorstellen ooit
nog iets voor iemand te betekenen. Later vertelde hij me dat dit de doorbraak
in de therapie was geweest. Voor mij bestond hij, en hoe! Ik vond hem
de moeite waard, niet alleen als therapeut, maar ook (en misschien vooral)
als vrouw. Er was iets belangrijks gebeurd: Hij had weer bestaansrecht
gekregen als mens en als man in relatie met mij. Er had een wezenlijke
ontmoeting plaats gevonden. Hij kreeg een nieuwe baan en stukje bij beetje
kroop hij uit zijn isolement. Ik genoot van zijn terugkeer naar het gewone
leven. Nadat hij veel angsten had overwonnen, durfde hij voorzichtig ook
weer een nieuwe relatie aan te gaan. (Ik wil er een Happy End aanknopen,
maar zo is het echt gegaan) Zijn nieuwe leven zag er heel anders uit.
Hij zelf trouwens ook. 't Was een mooie man geworden en ik was trots op
hem. Toen hij voor de laatste keer bij me kwam had hij bloemen bij zich:
rozen!
Mijn cliënt had zijn eenzaamheid geleefd en doorleefd, waarna hij
zich pas wezenlijk had kunnen verbinden. Hij leerde zijn verlangen te
dragen vanuit de wetenschap dat er nog iets anders mogelijk was, te verlangen
vanuit zijn rijkdomsbewustzijn. De ervaring in therapie had hem immers
laten inzien dat er juist vanuit de eenzaamheid verbinding mogelijk is.
Dat is een verbinding waarin eenzaamheid er zijn mag. Waarbij hij kan
zijn wie hij is, ook al heeft hij geen thuis, of juist omdat hij het lef
heeft 'niet thuis te durven zijn'.
Hij leerde zijn lot te dragen en verantwoordelijkheid te nemen voor 'hoe
de zaken er nu voor stonden.' Het ervaren van deze eenzaamheid is naar
mijn mening een voorwaarde voor relatie. Ik zal mezelf eerst van de ander
moeten onderscheiden en de existentiële eenzaamheid moeten ontmoeten,
voordat ik mij vanuit mijn zelfbewustzijn kan verbinden. Zo ook met mijn
cliënt: hij nam verantwoordelijkheid voor hoe hij met zijn eigen
lot omging en kwam er anders uit tevoorschijn. Hij kon de wereld hernieuwd
gaan ontmoeten.
'Eenzaamheid is een voorwaarde, een noodzakelijk doorgangspunt voor het
gewaarworden van een nieuwe verbondenheid en nabijheid, van een veelgeleed
netwerk van banden met anderen en met alles wat het 'andere'
is' (Steiner, 1983).
Samenvatting:
Doordat ik mij aan de consensus conformeer, word ik mij bewust van mijn
persoonlijke kwaliteiten en behoeften. Ik differentieer me vanuit de groepsnorm.
De polariteiten consensus en dissensus brengen mij dus bij mijn zelfbewustzijn:
Ik ben uniek èn mens als alle anderen. Vanuit dit zelfbewustzijn
kan ik mijn existentie onder ogen gaan zien: Ik ben eenzaam in mijn lot.
Vanuit deze fundamentele eenzaamheid kan ik mij opnieuw gaan verbinden.
5.1. Kleine bever en de echo.
Gedichten en Deuntjes zijn geen dingen die je zomaar te pakken krijgt,
het zijn dingen die jou te pakken krijgen.
En 't enige wat je kunt doen is ergens heen gaan waar ze je kunnen vinden.
(Winnie de Poeh)Aan de oever van een groot meer woonde Kleine Bever. Hij had geen broertjes. Hij had geen zusjes. Maar wat nog veel erger was: hij had geen vriendjes. Niet één! Kleine Bever was helemaal alleen. Zo vreselijk alleen, dat hij ervan moest huilen. Eerst zachtjes, toen harder - en daarna heel erg hard.
Wat was dat voor vreemd geluid? Het leek wel of er aan de overkant van het meer iemand met hem meehuilde... Kleine Bever hield op met huilen. Hij luisterde. Het huilen aan de overkant hield op. Kleine Bever was weer alleen. 'Boehoe!' snikte hij. 'Boehoe!' snikte de stem aan de overkant. 'Waahaa!' huilde Kleine Bever. 'Waahaa!' huilde de stem aan de overkant.
Kleine Bever hield op met huilen. 'Hallo!' riep hij. 'Hallo!' riep de stem aan de overkant. 'Waarom huil je zo?' 'Waarom huil je zo? vroeg de stem aan de overkant. Kleine Bever dacht even na. Toen riep hij: 'Ik ben zo alleen. Ik wil een vriendje' 'Ik ben zo alleen, zei de stem aan de overkant. 'Ik wil een vriendje.'
Kleine Bever kon zijn oren niet geloven. Daar aan de overkant woonde iemand die net zo verdrietig was als hij. Iemand die een vriendje wilde! Vlug klom hij in zijn boot en voer het meer op.
Het meer was groot. Kleine Bever voer een heel eind. Toen zag hij een eend, die rondjes zwom - helemaal alleen. 'Ik ben op zoek naar iemand die een vriendje wil,' zei Kleine Bever. 'Moest jij soms zo huilen, daarnet?' 'Ik heb niet gehuild', zei de eend. 'Maar een vriendje wil ik wel.' 'Dan zal ik je vriendje zijn', zei Kleine Bever. 'Ga je met me mee?' En de eend sprong in de boot.
Ze voeren een heel eind met zijn tweetjes. Toen zagen ze een otter langs de oever trippelen - helemaal alleen. 'We zijn op zoek naar iemand die een vriendje wil, zei Kleine Bever. Moest jij soms zo huilen, daarnet?' 'Ik heb niet gehuild'. zei de otter, 'Maar een vriendje wil ik wel.' Dan zullen wij je vriendjes zijn', zeiden Kleine Bever en de eend. 'Ga je met ons mee?' En de otter sprong in de boot.
Ze voeren een heel eind met zijn drietjes. Toen zagen ze een schildpad op een rots in de zon - helemaal alleen. 'We zijn op zoek naar iemand die een vriendje wil,' zei Kleine Bever. 'Moest jij soms zo huilen, daarnet?' 'Ik heb niet gehuild,' zei de schildpad. 'Maar een vriendje wil ik wel.' 'Dan zullen wij je vriendjes zijn', zeiden Kleine Bever, de eend en de otter. 'Ga je met ons mee?' De schildpad sprong in de boot.
Ze voeren een heel eind met zijn viertjes, tot aan de overkant van het grote meer. Daar woonde een wijze oude bever, in een huis van modder en berketakken - helemaal alleen. 'We zijn het hele meer rondgevaren. We zoeken iemand die heel hard huilde', zei Kleine Bever. 'Maar de eend was het niet. De otter ook niet. En de schildpad evenmin. Wie was het dan wel? 'Het was de Echo,' zei de wijze oude bever. 'Waar woont de Echo?' vroeg Kleine Bever. 'Aan de overkant van het meer', zei de wijze oude bever. 'Waar je ook bent, de Echo is altijd aan de overkant van het meer.' 'Waarom huilde hij?' vroeg Kleine Bever. 'Als jij verdrietig bent, is de Echo verdrietig', zei de wijze oude bever. 'Als jij blij bent, is de Echo ook blij.'
'Hoe kan ik hem vinden?' vroeg kleine Bever. 'Ik wil zijn vriendje zijn. Hij heeft geen vriendjes. Niet één. Net als ik.' ' En ik dan?' zei de eend. 'En ik?' zei de otter. 'En ik?' zei de schildpad.
'Dat is waar', zei Kleine Bever verbaasd. 'Ik heb nu een heleboel vriendjes.' En hij was zo blij dat hij het nog eens riep, heel hard: 'Ik heb nu een heleboel vriendjes!' Aan de overkant gaf een stem hem antwoord: 'Ik heb nu een heleboel vriendjes!'
'Zie je wel?' zei de wijze oude bever. 'Als jij blij bent, is de Echo blij. Als jij vriendjes hebt, heeft hij ook vriendjes.' 'Hoera!' riepen Kleine Bever en de eend en de otter en de schildpad alle vier tegelijk. En de Echo riep terug: 'Hoera'!'
5.2. Jij en ik.
Poeh is een echte vriend.
Niet zoals Sommigen.
(Iejoor)
De mens is in beginsel in relatie (Buber, 1988). Een kind is immers al vanaf zijn conceptie in relatie met zijn moeder. Het eerste moment dat een mens zich van zijn eigen existentie gewaar is, is enorm pijnlijk. Mijn dochtertje van zeven is nu in de fase dat ze zich haar afgescheidenheid bewust wordt. Dit gaat met enorme doodsangst gepaard. 's Avonds komt ze bevend uit bed om te vertellen hoe eng ze het allemaal vindt. Deur open, licht aan, hard roepen en toch zo bang. 'Mama, ik ben zo alleen!' 'Ja hoor lieverd!' roep ik 'Ik kom er zo aan.' Verhalen als deze over de Bever en de Echo zijn dan ook goud waard. Ze vertellen op symbolische wijze over de existentiële eenzaamheid van de mens: Alleen op de wereld, in je eigen boot. Ook de bever is in diepe ellende over zijn eenzame bestaan. Hij roept het uit van pijn en verdriet.... En er komt antwoord. 'But then, somewhere, far away, another cry mourns toward me, another which is the same, the same cry uttered or sung by another voice...' (Yalom, 1980). Buber noemt dit 'The responding cry'. Dit is het kritieke moment, zegt hij. Wat? Vraag ik me nu af. Wat is er nu gebeurd dat alles veranderd is? Ja, het klopt. Er heeft inderdaad iemand geantwoord. Iemand heeft het gehoord. Er is een Ander. Dit is dus het begin. Het bestaan is begonnen: Jij en ik.
Dit artikel downloaden